Geplaatst op zaterdag 05 oktober 2002 @ 13:09 , 2657 keer bekeken
Vluchtburchten
Tussen 800 - 1000 leefden de mensen op het platteland in kleine boerderijtjes. Soms lagen er boerderijtjes dicht bij elkaar. Dit noemt men dan een nederzetting.
De mensen voelden zich er niet zo heel erg veilig, omdat rondtrekkende soldatenbendes en rovers de boerenbevolking plunderden. Daarom ging men zich beschermen door zogenaamde vluchtburchten te bouwen. Men zocht een geschikt stuk land uit en groef er een gracht omheen. Het zand dat uit de gracht kwam werd gebruikt om de oever op te hogen. Zo ontstond een muur van aarde. Boven op die aarden muur kwam een rij puntige palen te staan van soms wel 2 meter hoog. Als er gevaar dreigde trokken de mensen uit de buurt hiernaar toe. Zij namen alles wat men maar kon dragen mee. Ook het vee en voedsel werd meegenomen. Was het gevaar voorbij, dan ging iedereen weer terug naar zijn eigen boerderij.
Ook de rijke boeren begonnen hun huis te versterken. Op een afstand van hun huis liet men een gracht graven en het zand werd weer gebruikt om een aarden wal te maken met hierop weer houten palen. Als er gevaar dreigde gingen de kleine boeren uit de omgeving met hun gezinnen naar de " rijke buurman". Daar waren ze veilig en hielpen mee de burcht te verdedigen tegen de vijand.
Deze rijke boeren gingen zich steeds minder bemoeien met het boer zijn, maar met het beschermen van de boeren uit de omgeving tegen roversbendes. De kleine boeren betaalden hiervoor door een gedeelte van hun oogst af te staan of ervoor te betalen. De rijke boer werd hierdoor steeds rijker en werd soms de heerser van een bepaalde streek. Zo werd hij een vechter ofwel een ridder.
Het mottekasteel
Rond 1000 gingen de eerste ridders hun versterkte huizen bouwen op een heuvel. Deze kastelen waren nog erg eenvoudig. De heuvel ontstond door de aarde die men uit de gracht haalde en waarmee men een hoge heuvel maakte. Bovenop de heuvel stond een houten toren. Zo'n heuvel met daarop een donjon of woontoren, waar de kasteelheer naar toe kon vluchten, noemt men een mottekasteel. Hieromheen werd een aarden wal met palen gemaakt en een gracht gegraven. Daarbuiten waren de woningen van de bedienden en de soldaten. Hieromheen lag weer een wal met een gracht.
Vanuit de toren kon men zich goed verdedigen, omdat deze heel erg hoog was. Het was voor de vijand heel moeilijk om zo'n hoge heuvel te bestormen.
Later bleek dat een verdedigingstoren toch niet zo veilig was. Dit kwam, omdat deze van hout gemaakt was en daardoor niet zo heel erg stevig. Daarom ging men deze van steen maken. Onderin bevond zich een kelder waar de voorraden werden opgeslagen. Daarboven was het woonverblijf waar werd gegeten, geslapen, gekookt en gespind. Als de edelman dan later wat meer geld had, groeide de donjon vaak uit tot een groter kasteel.
Een mooi voorbeeld van een mottekasteel in de omgeving van Swalmen is het kasteel van Kessel. (zie maquette hieronder)
Welkom bij Clubs!
Kijk gerust verder op deze club en doe mee.
Of maak zelf een Clubs account aan: